Het schoolplein in Burkina Faso was een kale plek, maar vandaag leek er iets bijzonders te gebeuren. Bram had zijn versleten rugzak met de kleine zaklamp erin aan zijn schouder hangen en warrige bruine haren die in alle richtingen stonden. Emma droeg haar groene jas en haar rood krullend haar was met een gele klem in een losse staart bijeengehouden. Ze liepen met grote ogen rond, want ze hadden net ontdekt dat de meeste kinderen hier geen speelgoed hadden. Enkele hadden een oude bal, of een stuk hout waar ze met hun vrienden mee spelen, maar bijna niemand had iets dat echt leek te horen bij de woorden “speelgoed”.
“Vind je het niet raar?” fluisterde Emma, terwijl ze naar een klein meisje keek die aan een touw trok dat waarschijnlijk vroeger een vlieger was geweest. “Als iedereen maar een beetje speelgoed had, dan zouden ze allemaal iets leuks kunnen doen.”
Bram knikte. “Maar waarom heeft niemand hier veel speelgoed?” Hij keek naar een jongen die een plastic fles als doelwit gebruikte in een spelletje met stokken. “Alsof het er gewoon niet is.”
Emma dacht even na. Ze liep een paar stappen achteruit, keek om zich heen en zei: “Misschien omdat niemand weet dat anderen ook speelgoed hebben. Misschien denken ze dat er niks te delen is.”
“Dus… als we iedereen laten weten dat we iets hebben, dan kunnen we het met elkaar delen?” vroeg Bram, terwijl hij zijn rugzak iets dichter tegen zich aan trok.
“Ja!” riep Emma, en haar ogen lichtten op. “Als we een plek maken waar kinderen hun speelgoed kunnen brengen en iets anders kunnen pakken, dan heeft iedereen iets. Net zoals in een wisselplek.”
“Een wisselplek?” vroeg Bram, en hij fronste zijn wenkbrauwen. “Wat is dat?”
Emma lachte. “Je weet wel, zoals bij een markt. Iedereen brengt iets wat hij niet meer nodig heeft, en pakt iets anders. Dan heeft iedereen weer een fijne speelgoed.”
Ze liepen naar een paar andere kinderen en vroegen of ze mee wilden doen. Sommige knikten nieuwsgierig, anderen keken bedenkelijk. Bram pakte zijn rugzak en haalde er een klein plastic autootje uit dat er al een beetje afgeknipt uitzag. “Zie je wel?” zei hij trots, “ik heb iets om te wisselen.”
Emma haalde een oude legoblok uit haar jaszak. “En ik ook. Kom, we gaan een plek zoeken.”
Ze kozen een plek onder een grote acaciaboom aan de rand van het schoolplein. Het gras was er kort, en het zonlicht viel door de bladeren in schaduwen en lichtvlekken. Emma haalde een stok en schreef met een stukje kalk op de grond: Wisselplek. Bram grinnikte. “Zo zien we waar we moeten zijn.”
De wisselplek begon langzaam vorm te krijgen. Een jongen bracht een oud stuk van een dobbelsteen, een meisje een stuk touw. Bram liet zijn autootje zien en Emma haar legoblok. Ze legden alles in een cirkel neer, zoals een soort schatkist. “Als iedereen iets brengt, dan hebben we allemaal iets te wisselen,” zei Emma, terwijl ze haar handen wreef alsof ze net een groot geheim had onthuld.
Toen kwam er een knappe jongen met een zilvergrijs T-shirt aangelopen. Hij had een oud knikkerstokje in zijn hand. “Wat is dit hier?” vroeg hij nieuwsgierig.
Emma stak haar hand op. “Het is een plek waar we speelgoed wisselen. Iedereen brengt iets wat hij niet meer nodig heeft, en pakt iets anders. Dan heeft iedereen iets leuks.”
De jongen knikte. “En jullie denken dat iedereen er iets aan heeft?”
“Ja,” zei Bram, en hij hield zijn autootje weer omhoog. “Zelfs als het een beetje kapot is, dan is het nog leuk.”
De jongen glimlachte. “Dan breng ik mijn knikker ook wel.”
Zo begon de wisselplek langzaam te groeien. Kinderen kwamen erbij, sommigen met speelgoed, anderen met vragen. Bram en Emma liepen rond, legden uit hoe het werkte en waarom het belangrijk was. “Als we samenwerken, dan kunnen we allemaal iets fijns doen,” zei Emma tegen een meisje die aarzelend stond.
“Maar wat als ik niks heb?” vroeg ze.
“Dan pakt je gewoon iets,” zei Bram. “En als je later iets hebt, breng je het terug. Zo groeit de plek.”
De wisselplek was binnen een uur vol. Er lagen dozen, stukken hout, balpen, een paar knopen, een krasse bal, een stok met een touw eraan, en zelfs een paar tekeningentjes die iemand op een velletje had geschilderd. Kinderen liepen erheen en weer, pakte iets, probeerde het uit, lachte, en soms brachten ze nog iets extra’s bij.
Emma keek met een glimlach naar Bram. “Zie je wel? Niemand hoefde te weten dat er speelgoed was. Maar als we het gewoon met elkaar delen, dan hebben we allemaal iets.”
“En dan is er geen schaarste meer,” voegde Bram eraan toe. “Want als iedereen iets heeft, dan is er gewoon genoeg.”
Emma knikte. “Dat is de eerste regel van Abundomy. Transparantie. Als we weten wat er is, dan weten we ook hoe we het kunnen delen.”
Bram dacht even na. “En als iedereen weet dat er iets is, dan hoeft niemand meer bang te zijn dat ze niets hebben.”
“Precies,” zei Emma, en ze pakte een stukje kalk en schreef iets onder het woord Wisselplek: Iedereen mag iets pakken. Iedereen mag iets brengen. Niemand hoeft bang te zijn.
De kinderen begonnen er spelletjes mee te spelen. Bram had nu een knikker die hij van de jongen had gekregen. Emma had een stuk touw waar ze een vlieger van kon maken. Ze zagen hoe andere kinderen ook met hun nieuwe speelgoed aan de slag gingen. Een meisje maakte een bal van de stukken hout, en een jongen bouwde een toren van blokjes.
Maar even later hoorde Bram een zachte huil. Hij draaide zich om en zag dat een klein jongetje zijn handen in zijn schoot had en naar de wisselplek keek. Bram liep erheen. “Wat is er aan de hand?” vroeg hij zacht.
De jongen keek hem aan. “Ik… ik had geen speelgoed om te brengen. Ik dacht dat ik niet mee mocht doen.”
Bram knikte. “Maar je mag wel iets pakken. Je hoeft niks te brengen.”
De jongen slikte. “Maar ik heb niets.”
“Dan pak je gewoon iets,” zei Bram. “En als je later iets hebt, breng je het terug. Zo werkt het.”
De jongen haalde zijn schouders op en pakte een stuk hout. Bram glimlachte. “Goed zo. Speel er maar mee.”
De jongen begon te glimlachen. Bram liep terug naar Emma. “Weet je,” zei hij, “soms denken mensen dat ze niks hebben. Maar als je gewoon iets pakt, dan heb je toch iets.”
Emma knikte. “Precies. En als je iets hebt, dan hoef je niet meer bang te zijn.”
De wisselplek was nu een plek waar iedereen iets had. De kinderen hadden niet alleen speelgoed, maar ook het gevoel dat ze iets bijdroegen. Bram en Emma liepen rond, zagen hoe kinderen samenwerkten, en hadden het gevoel dat ze iets belangrijks hadden gedaan.
Na een tijdje zaten ze onder de acacia boom en keken naar de zon die langzaam achter de horizon verdween. Bram keek naar de wisselplek. “Weet je,” zei hij, “ik denk dat dit de eerste stap is.”
“Welke stap?” vroeg Emma.
“Om te zorgen dat iedereen weet waar de wisselplek is. Want als iedereen het weet, dan komt iedereen eraan.”
Emma knikte. “En als iedereen eraan komt, dan is er geen schaarste meer. Want dan is er genoeg voor iedereen.”
“Maar hoe zorgen we dat iedereen weet waar het is?” vroeg Bram, terwijl hij met zijn vinger in de aarde tekende.
Emma dacht even na. “Misschien moeten we een kaart maken. Dan kunnen we laten zien waar alle wisselplekken zijn.”
Bram glimlachte. “Een kaart? Met wisselplekken?”
“Ja,” zei Emma. “Dan weten kinderen waar ze heen kunnen om iets te pakken. En als we meer wisselplekken maken, dan is er nog meer te delen.”
Bram knikte. “En als iedereen weet waar ze zijn, dan is er geen schaarste meer. Want dan weet iedereen dat er iets is.”
Emma glimlachte. “Precies. En dan is het Abundomy.”
Bram stond op en keek naar de wisselplek. “Dan gaan we de kaart maken.”
“Morgen?” vroeg Emma.
“Morgen,” zei Bram. “En dan gaan we op zoek naar andere plekken waar we ook een wisselplek kunnen maken.”
Emma stond op en wreef haar handen. “Dan moeten we eerst leren waar we heen kunnen.”
Bram keek naar haar. “Dus… we gaan op kaartjacht?”
Emma glimlachte. “Niet op kaartjacht. Op kaartmaken.”
Bram grinnikte. “Dan gaan we op kaartmaken.”
Ze liepen hand in hand naar huis, met speelgoed in hun handen en een plan in hun hoofd. De zon verdween langzaam, en de wisselplek werd een schaduw onder de acacia boom. Maar ze wisten allebei dat het slechts het begin was.
Overgang naar volgende hoofdstuk:
De volgende dag wakkerden Bram en Emma al vroeg op. Ze hadden een plan — een kaart maken van alle wisselplekken. Maar hoe zouden ze weten waar ze moesten zijn? Ze moesten eerst leren hoe ze een kaart konden maken. En daarvoor moesten ze iets nieuws leren: speelzones op de kaart.
Het was een zonnige ochtend op de schoolplein. De zon stond al hoog aan de lucht en de lucht voelde fris en zacht aan. Bram liep met zijn rugzak aan zijn schouder over het schoolplein, zijn warrige bruine haar nog nat van de doucher. Hij had een gestreept T-shirt aan en zijn rugzak was een beetje verweerd, maar hij droeg hem trots. Hij knikte naar zijn vriendje Tom, die in de hoek stond met een flesje water in zijn hand.
“Waar is Emma vandaag?” vroeg Bram, terwijl hij zijn rugzak op de grond zette.
“Ik denk dat ze al op het plein is,” zei Tom. “Ze houdt altijd van vroeg te komen.”
Bram knikte en liep door naar de speeltoestellen. Maar toen hij bij de schommel aankwam, zag hij iets vreemds. Er stond een groepje kinderen bij de schommel, maar ze wisten niet goed wat ze moesten doen. Een meisje met een slobberige trui stond te wachten, terwijl een jongen met een rode fiets een beetje onzeker naar de schommel keek.
“Waarom wachten ze hier?” vroeg Bram aan Tom.
“Ik weet het niet,” zei Tom. “Misschien is de schommel kapot?”
Nee, de schommel was niet kapot. Het probleem was dat er gewoon te weinig plek was voor iedereen. De schommel was bijna vol, en er stonden meer kinderen dan er plek was. Bram dacht na. Hij zag hoe sommige kinderen naar andere plekken keken, alsof ze hoopten dat er ergens anders meer ruimte was. Maar er was nergens genoeg ruimte.
Toen zag hij haar – Emma. Ze had haar rode krullen vastgemaakt met een gele haarklem en droeg haar groene jas, die een beetje nat was aan de randen vanwege de ochtenddamp. Ze liep met grote passen over het plein, haar ogen op iets wat ze zag.
“Bram!” riep ze, terwijl ze op hem af kwam. “We hebben een probleem.”
“Wat is er mis?” vroeg Bram.
“We kunnen niet allemaal tegelijk spelen,” zei Emma. “Er is gewoon niet genoeg ruimte.”
“Dat is waar,” zei Bram. “Maar wat kunnen we dan doen?”
Emma dacht even na. “Misschien kunnen we het plein in zones verdelen. Zoals kaarten doen. Dan weten we waar we spelen.”
Bram knikte. “Dat klinkt logisch. Hoe gaan we dat doen?”
Emma haalde een stuk papier en een potlood uit haar rugzak. “We kunnen een kaart tekenen. Met plekken waar we kunnen schommelen, waar we het steegspel kunnen spelen, en waar we kunnen balanceren.”
“En wie beslist waar we gaan spelen?” vroeg Bram.
“Niemand,” zei Emma. “We verdelen de plekken eerlijk. Zoals in Abundomy. Daar is alles eerlijk gedeeld.”
Bram knikte. “Okay. Laten we beginnen.”
De twee kinderen liepen samen over het schoolplein, terwijl ze de ruimte observeerden. Ze zagen de schommel, de glijbaan, het steegspel, de balbaan en een klein hoekje met zand. Maar er was geen systeem. Iedereen rende wild heen en weer, en sommige kinderen kregen gewoon geen kans om te spelen.
“Hier,” zei Emma, wijzend op de schommel. “We kunnen hier een zone maken voor schommelen.”
“En hier,” zei Bram, wijzend op de glijbaan. “Hier kunnen we een glijbaan-zone maken.”
Ze gingen door met het opdelen van het plein. Emma tekende elke zone op het papier, terwijl Bram probeerde te bedenken hoeveel kinderen er tegelijk in elke zone konden spelen. Ze besloten dat elke zone vijf kinderen kon bevatten, zodat iedereen om de beurt kon spelen.
“En we moeten regels maken,” zei Emma. “Zoals: wie wacht het langste, mag eerst spelen. En als iemand klaar is, dan mag de volgende.”
Bram knikte. “Dat klinkt eerlijk.”
Toen ze hun kaart klaar hadden, liepen ze terug naar het midden van het plein. Ze riepen andere kinderen bij elkaar en legden hun plan uit.
“Kijk,” zei Emma, terwijl ze de kaart in de lucht hield. “We hebben zones gemaakt. Iedereen die wil spelen, kiest een zone en wacht daar zijn beurt af. Zo is het eerlijk voor iedereen.”
De kinderen keken nieuwsgierig. Sommigen knikten, anderen fronsten hun wenkbrauwen.
“Wat als we niet willen wachten?” vroeg een jongen.
“Dan kun je gewoon ergens anders spelen,” zei Bram. “Of je kunt helpen om de zone te beheren.”
“En als iemand niet luistert?” vroeg een meisje.
“Dan helpen wij hem,” zei Emma. “Zoals in Abundomy. Iedereen helpt iedereen.”
De kinderen keken elkaar aan. Toen begon iemand te klappen. “Okay,” zei een jongen. “Laten we het proberen.”
Bram en Emma verdeelden de kaart in kleine stukjes papier en gaven die aan iedereen. Ze legden uit hoe het werkte, en binnen een paar minuten had iedereen een zone gekozen en wachtte iedereen zijn beurt af.
Het was niet perfect. Er waren kinderen die nog steeds wilden spelen zonder te wachten, en sommige kinderen vonden het moeilijk om hun beurt te wachten. Maar het was een begin. Bram zag hoe kinderen die eerder niet konden spelen, nu eindelijk hun kans kregen. Een meisje met een slobberige trui klom eindelijk op de schommel, en een jongen met een rode fiets grijnsde terwijl hij de glijbaan op rende.
“Zie je wel?” fluisterde Emma tegen Bram. “Als we samenwerken, kunnen we alles oplossen.”
Bram knikte. “Ja, het is net als met geld. Als iedereen het eerlijk deelt, is er voor iedereen genoeg.”
Emma grinnikte. “Precies. En als we het maar lang genoeg doen, wordt het gewoon normaal.”
De middag verstreek, en het schoolplein leek langzaam te veranderen. De kinderen leerden hoe ze met elkaar konden spelen zonder ruzie, hoe ze ruimte konden verdelen zonder te twisten, en hoe ze samen konden werken om dingen beter te maken.
Maar toen de zon begon te zakken en de schaduwen langer werden, hoorde Bram Emma zachtjes vragen: “En wat als we meer eten kunnen delen?”
Bram keek haar aan. “Wat bedoel je?”
Emma haalde haar schouders op. “Niet iedereen heeft altijd genoeg eten. Misschien kunnen we iets doen om dat eerlijk te maken.”
“Dat klinkt alsof we naar de boomgaard moeten,” zei Bram. “Daar groeien de bomen waar we appels van kunnen plukken.”
Emma knikte. “Laten we dan naar de boomgaard gaan.”
Met die woorden liepen Bram en Emma samen over het schoolplein, hun rugzakken op hun rug en hun hoofd vol met ideeën. Ze wisten nog niet precies wat ze zouden ontdekken, maar ze wisten zeker dat ze iets konden doen om de wereld een beetje beter te maken. En zo, stap voor stap, gingen ze op weg naar de boomgaard in het bos.
Overgang naar volgende hoofdstuk:
Hoofdstuk 03 — Boomgaard in het bos
Het zonlicht filterde door de bladeren van het sprookjesbos en schilderde vreemde patronen op de grond, alsof het bos zelf geheimen fluisterde. Bram en Emma liepen tussen de bomen, hun voetstappen zacht op de houtsnippers en mos. Bram had zijn versleten rugzak met een zaklamp aan, die nu niet nodig was — het was midden op de dag en het was helder genoeg. Emma droeg haar groene jas, die al een beetje vuil was aan de randen, en haar rode krullen wapperden in de bries. Ze hadden een kaartje uit hun schoolklas meegenomen, waarop stond: "Boomgaard in het bos — vruchten voor iedereen!".
“Waar zouden we het eerst moeten beginnen?” vroeg Bram, terwijl hij een boom aankeek waarvan de takken vol hingen met kleine, groene vruchten. Ze leken op een mix tussen een sinaasappel en een aardbei. “Zouden we die kunnen plukken?”
Emma fronste haar neus. “Die zijn nog niet rijp. Ze zijn nog hard als steen,” zei ze, en ze pakte er een beetje aan. “En ze zien er niet lekker uit. We moeten eerst weten wat wel rijp is.”
Ze liepen verder, en het bos begon langzaam te veranderen. De bomen stonden dichter op elkaar, en er was minder licht. Toen ze bij een open plek kwamen, hielden ze stil. Daar stond een oude boom, die eruitzag alsof hij al eeuwen op dezelfde plek had gestaan. De takken bogen naar beneden onder de zwaarte van enorme, rode vruchten. Ze glansden in het zonlicht, alsof ze van glas gemaakt waren.
“Dat zijn rijp,” zei Emma. “Die kunnen we wel plukken. Laten we er een paar pakken.” Ze pakte een zakdoek uit haar jaszak en begon zachtjes de vruchten af te vegen.
Bram keek haar even aan. “Waarom zijn er zo weinig bomen met rijpe vruchten?” vroeg hij. “Ik bedoel… het bos is groot, toch? Waar zijn de andere bomen?”
Emma stopte even met vegen en keek om zich heen. “Dat is een goede vraag,” zei ze. “Misschien zijn de andere bomen niet rijp. Of misschien zijn ze zelfs niet van hetzelfde soort. Maar het voelt alsof er iets aan de hand is. Alsof er geen genoeg is.”
Bram knikte. “Alsof iemand niet genoeg boomzaden heeft uitgezet. Of misschien… iemand wil dat er niet genoeg vruchten zijn.”
Emma keek hem verbaasd aan. “Waarom zou iemand dat doen?”
“Omdat mensen soms denken dat ze meer macht hebben als er weinig is,” zei Bram. “Als er weinig is, moet iedereen samenwerken. Of als iemand meer heeft dan anderen, dan kunnen ze het verkopen of aanbieden. Dan worden ze belangrijk.”
Emma knikte langzaam. “Ik snap wat je bedoelt. Alsof de vruchten een soort 'schaarste' zijn. En schaarste maakt mensen afhankelijk. Want als er niet genoeg is, moet je iets doen om er meer te krijgen.”
“Precies,” zei Bram. “En als je niet genoeg hebt, denk je dat je niets kunt doen. Alsof je niks waard bent.”
Emma dacht even na, en toen zei ze: “Misschien moeten we zelf bomen planten. Dan zorgen we dat er meer vruchten zijn. En dan kunnen we die delen met iedereen.”
Bram lachte. “Dat klinkt als een plan. Maar hoe doen we dat? We hebben geen zaden.”
Emma haalde haar handen door haar rode krullen. “Nou, misschien kunnen we zaden uit deze vruchten halen. En dan kunnen we die verspreiden. Iedereen kan een boom planten. En dan hebben we allemaal genoeg.”
Ze liepen terug naar de oude boom, waar ze een paar van de grootste vruchten pakteen. Ze zagen er uit als grote, glanzende appels. Toen ze ze openmaakten, ontdekten ze dat er een klein, donker zaadje in zat, omgeven door een zachte, zoete vulling.
“Dat is het zaden!” zei Bram, en hij hield er een omhoog. “We kunnen dit naar huis brengen en dan planten. En als de bomen groeien, hebben we meer vruchten. En dan kunnen we met iedereen delen.”
Emma knikte. “En als we dat doen, dan zorgt iedereen ervoor dat er genoeg is. Dan is er geen schaarste meer. Want we maken er zelf genoeg van.”
Ze pakten een paar vruchten en liepen terug naar de school, waar ze hun juf, mevrouw Lena, alles vertelden. Ze hadden al eerder samen een boomgaard op school gemaakt, dus ze wist precies wat ze moesten doen. Met haar hulp maakten ze een klein plekje vrij in de schooltuin, en daar plantten ze de zaden die ze uit de bosbomen hadden gehaald.
“Iedereen in de klas kan een zaadje planten,” zei mevrouw Lena. “En als de bomen groeien, kunnen we samen de vruchten delen. Dan is er genoeg voor iedereen.”
De kinderen van de klas kwamen eraan, en iedereen kreeg een zaadje. Ze plantten ze met veel plezier, en ze beloofden dat ze goed voor de bomen zouden zorgen. Bram en Emma voelden zich trots. Ze hadden iets gedaan waardoor er meer vruchten zouden zijn.
Maar er kwam een probleem. Na een paar weken merkten ze dat sommige bomen niet groeiden. “Waarom doen deze niets?” vroeg Bram, terwijl hij naar een lege plek in de tuin keek.
Emma dacht even na. “Misschien is het zaadje kapot. Of misschien is er niet genoeg zonlicht. Of misschien is de grond niet goed genoeg.”
“We kunnen toch geen boomgaard maken als de bomen niet groeien,” zei Bram, fronsend.
Mevrouw Lena glimlachte. “Dat is waar. Maar we kunnen het proberen. We kunnen meer zaden planten. En we kunnen de grond bepalen. Misschien voegen we wat compost toe. Of we wateren vaker.”
Ze werkten samen aan de tuin, en langzaam begonnen de bomen te groeien. Het was niet direct duidelijk of ze vruchten zouden geven, maar iedereen was blij met de poging.
Een paar maanden later, op een zonnige ochtend, stonden Bram en Emma bij de schoolboomgaard. De bomen waren al behoorlijk groot, en sommige hadden al kleine vruchten. Het was een klein begin, maar het was een begin.
“We hebben iets gedaan,” zei Bram, en hij keek trots naar de groeiende bomen.
Emma knikte. “En als iedereen dit doet, dan is er genoeg voor iedereen. Dan is er geen schaarste meer. Dan is het abundomy.”
Bram keek haar even aan. “Wat betekent abundomy?”
Emma glimlachte. “Dat betekent dat er genoeg is. Dat niemand honger hoeft te lijden. Dat iedereen samenwerkt. En dat we geen schulden meer hoeven te hebben.”
Bram knikte. “En dan is er geen angst meer. Want als er genoeg is, hoef je niet bang te zijn dat je niets hebt.”
Ze liepen terug naar school, waar ze hun vrienden vertelden over de boomgaard. Iedereen was blij met het idee. Sommigen wilden zelf ook zaden planten. Andere kinderen bedachten nieuwe manieren om samen te werken, zoals het delen van water en de zonlicht.
Maar Bram had nog één vraag. “Hoe zorgen we dat iedereen weet waar de boomgaard is? Want als iemand niet weet dat er een boomgaard is, dan is het nutteloos.”
Emma dacht even na. “Misschien kunnen we er sieraden van maken. Of tekeningen. Dan kunnen we die naar andere dorpjes brengen. En dan kunnen andere kinderen ook bomen planten.”
Bram glimlachte. “En dan kunnen we samenwerken met andere kinderen. Dan is het een groter plan.”
Ze liepen terug naar de school, waar ze een plan maakten. Ze zouden sieraden maken van de vruchten en ze naar andere kinderen brengen. En zo konden ze het idee van de boomgaard verspreiden. Ze konden samenwerken met andere dorpjes, en zo konden ze ervoor zorgen dat er overal genoeg vruchten waren.
“Dus we gaan barteren met sieraden,” zei Bram, en hij glimlachte breed.
Emma knikte. “En we leren iedereen dat er genoeg is. Dat we samenwerken. En dat we geen schulden meer nodig hebben.”
Bram knikte, en hij keek uit over het bos. De zon stond laag aan de lucht, en de schaduwen werden lang. Het was een nieuwe dag, en er waren nog veel dingen om te doen. Maar ze waren er klaar voor. Ze hadden een boomgaard gemaakt. En nu wilden ze het idee verspreiden.
“Laten we beginnen,” zei Bram, en hij pakte een vrucht. “Met de sieraden.”
De zon stond laag aan de lucht en wierp gouden schijnsels over de straatstenen toen Bram en Emma met hun rugzakken op hun schouders de winkelstraat in liepen. Het was een van die zaterdagen waarop de stad leek te ademen, met kinderen die aan de hand van ouders liepen, of soms, zoals nu, op eigen houtje op avontuur gingen. Bram had zijn warrige bruine haar los, en zijn gestreepte shirt was een beetje verfrommeld, alsof hij er al uren in had geslapen. Emma droeg haar groene jas met de capuchon omhoog, alsof ze zo tegen de zon kon vechten, en haar rood krullend haar viel los uit de geel gekleurde haarklem die ze al sinds de ochtend droeg.
“Wat is dat?” vroeg Bram opeens, en hij wees naar een groepje kinderen bij de ingang van de supermarkt. Ze stonden in een kring, met hun gezichten een beetje fronsend, alsof ze iets probeerden uit te vissen. Op de grond lagen een paar lege wisseltassen, en een meisje van ongeveer tien hield een verkreukelde briefje vast alsof het een briefje van verontschuldiging was.
Emma fronste haar neus. “Dat is geen briefje,” zei ze met haar licht snelle stem. “Dat is geld. Ze proberen iets te kopen, maar ze hebben er niet genoeg van.”
Ze liepen dichter bij. Bram keek naar de kinderen en zag dat één jongen zijn handen in zijn zakken had gestoken en zijn hoofd gebogen hield. “Hij wilde een snoepje,” fluisterde Emma. “Maar het kost te veel.”
Bram keek omlaag naar zijn eigen rugzak, waarin zowel een zaklamp als een paar opgevouwen stukken papier zaten. Hij haalde zijn handen in zijn broekzakken en dacht na. Emma, die al eerder had gezien hoe mensen dingen uitwisselden – zoals de keer dat ze in het park had gezien dat iemand zijn tekening had gegeven voor een koekje – stak haar hand op en liep met een glimlach naar het groepje.
“Hé!” zei ze. “We hebben iets leuks mee.”
De kinderen keken op, en Bram volgde haar met een zucht. Hij haalde een klein doosje uit zijn rugzak. Het was een verpakking die hij eerder had meegenomen van een verjaardag, leeg en beschreven met vingerverf. Emma haalde een paar sieraden uit haar tas – een paar hangers met glitters en een ketting die ze had gemaakt van gekleurde touwtjes en een paar knopen.
“Wij maken dit,” zei ze. “En we kunnen het ruilen voor iets anders.”
De kinderen keken nieuwsgierig. Bram hield zijn doosje omhoog. “We kunnen dit vullen met snoepjes,” zei hij. “Als jullie ons wat sieraden geven.”
Er was even stilte. Toen kwam het meisje met het briefje naar voren en pakte een van de sieraden. “Dit is mooi,” zei ze. Ze gaf Bram een lege wisseltas. “Mag ik een snoepje als wissel?”
Bram knikte en haalde een paar snoepjes uit zijn doos. Ze gingen aan de kant van de straat zitten, en binnen de kortste keren had iedereen iets: sieraden, snoep, zelfs een paar gekleurde potloden die iemand had meegebracht.
Emma glimlachte. “Zie je?” zei ze tegen Bram. “Je kunt niet altijd betalen met geld. Soms kun je gewoon iets maken en iets ruilen.”
Bram haalde zijn schouders op. “Maar wat als je niets hebt om te ruilen?”
Emma dacht even na. “Dan werk je samen. Je maakt iets samen. Zoals we deden.”
Ze keek naar de andere kinderen, die al begonnen te spelen met de sieraden. Een jongen had zijn hanger omgehangen, en de rest lachte. Bram keek naar de supermarkt en dacht aan de mensen binnen. Sommigen hadden genoeg, anderen hadden niets. Maar hier, op deze straathoek, leek het alsof iedereen iets had.
Later die middag waren ze terug bij hun favoriete plekje in het park, een bankje onder een oude appelboom. Bram zat met zijn rug tegen de stam, zijn rugzak op zijn schoot, en Emma zat naast hem met haar handen in haar schoot. Ze keken naar de kinderen die rondrennen, sommigen met hun nieuwe sieraden, anderen die lachten en dingen met elkaar deelden.
“Wat als we dit ook met andere dingen doen?” zei Emma opeens. “Wat als we fietsen kunnen delen?”
Bram keek haar verbaasd aan. “Fietsen delen? Hoe dan?”
Emma haalde haar schouders op. “Niet iedereen heeft een fiets. Maar als we ze kunnen lenen, of ruilen, dan kunnen we allemaal heen en weer rijden. En dan hoef je geen geld meer te hebben voor een fiets.”
Bram dacht even na. Hij dacht aan de jongen die geen snoep had gekregen. Aan de meiden die samen een sieradetje hadden gemaakt. Aan de manier waarop ze samen hadden opgelost wat eerst een probleem leek.
“Misschien,” zei hij, “kunnen we een fietsenwisselplatform maken.”
Emma begon al te glimlachen. “En dan schrijven we een lijst. Wie heeft welke fiets, waar hij staat, en wie erop mag rijden.”
Bram knikte. “En we vragen iedereen mee te doen. Dan kunnen we samen meer doen.”
Ze keken elkaar aan. Het was alsof ze net iets belangrijks hadden bedacht. Nog iets wat samenwerking kon brengen. Nog iets dat mensen niet alleen liet, maar hen bij elkaar bracht.
De appelboom ritselde zacht in de wind. Bram stond op, zijn rugzak weer over zijn schouders geslingerd. Emma pakte haar jas en streek haar haar met haar vingers glad.
“Kom op,” zei ze. “Laten we het volgende avontuur beginnen.”
Bram zat op een bankje in het stadspark, zijn rugzak met de versleten zaklamp ernaast. Het was een warme dag in mei, en de lucht rook naar gras en bloemen. Hij keek naar de rij fietsen die tegen de muur van een lege kiosk stonden. Er waren er maar drie, en die waren allemaal bezet. Kinderen stonden eromheen, met hun handen in hun zakken en hun neus erbij geknepen alsof het te veel moeite was om er iets aan te doen.
Emma kwam aangerend, haar rood krullend haar wapperend in de wind. Haar groene jas was een beetje gescheurd aan de mouw, maar ze had een frisse blik in haar ogen.
“Waarom staan die fietsen daar gewoon?” vroeg ze, wijzend met haar vinger. “Waarom kan iedereen er een lenen als ze willen?”
Bram haalde zijn schouders op. “Misschien zijn ze te oud of te kapot,” zei hij, terwijl hij één van de fietsen bestudeerde. Het frame was roestvrij, de banden leken goed en het stuur was niet gebroken. “Of misschien is er gewoon niet genoeg voor iedereen.”
Emma fronste haar neus. “Maar dat is gek! Als ze er hier staan, dan kunnen ze ook gebruikt worden. Als iedereen er een wil lenen, dan moeten ze gewoon beschikbaar zijn.”
Bram keek haar aan. “Maar wie zegt dat ze beschikbaar moeten zijn? Misschien heeft iemand ze nodig voor zichzelf.”
“Niet als ze niemand meer nodig heeft,” zei Emma vastberaden. “Stel je voor: als je een fiets hebt, en je gebruikt hem niet, dan kun je die gewoon ter beschikking stellen aan iemand die er wel eentje nodig heeft. Dan hebben we allemaal genoeg.”
Bram keek even naar de grond, dacht na. “Maar wat als iemand die fiets al heeft besteld of iets?”
“Dan maken we een afspraak, net als bij een bibliotheek,” zei Emma. “Wie eerst komt, die eerst een fiets krijgt. En als iemand een fiets heeft, dan leent hij die aan iemand die er een nodig heeft. Zo hebben we allemaal genoeg.”
Bram knikte langzaam. “Misschien heb je gelijk,” zei hij. “Maar hoe beginnen we daarmee?”
Emma haalde een klein notitieboekje uit haar zak. “We maken een platform. Iedereen die een fiets heeft, kan die registreren. En iedereen die een fiets nodig heeft, kan een verzoek doen. Dan geven we de fiets weg aan wie het nodigst heeft.”
Bram grijnsde. “En wat als iemand de fiets niet terugbrengt?”
“Dan laten we hem gewoon weten dat hij niet meer mag meedoen,” zei Emma, alsof het de simpelste oplossing was. “Iedereen moet zich aan de regels houden. Anders werkt het niet.”
Bram lachte. “Je bent een slimme meid, Emma.”
Emma grinnikte. “En jij bent de beste denker die ik ken, Bram. Samen gaan we het halen.”
---
Het stadspark was groen en zonnig, met bomen die schaduw wierpen op de bankjes en paden. Bram en Emma liepen naar de ingang, waar een paar oudere kinderen met hun fietsen stonden te wachten. Een meisje met een groen sjaaltje om haar hoofd keek hen nieuwsgierig aan.
“Wat zijn jullie aan het doen?” vroeg ze.
Emma stak haar hand op. “We willen een fietsenwisselplatform bouwen. Iedereen die een fiets heeft, kan die hier laten staan. En iedereen die er een nodig heeft, kan die lenen. Zo hebben we allemaal genoeg.”
Het meisje knikte. “Cool. Ik heb een fiets. Ik kan die hier laten staan.”
“Echt?” vroeg Bram. “Mag ik hem even bekijken?”
Ze gaf hem de fiets, en Bram controleerde de banden, het stuur en de remmen. “Die is perfect,” zei hij. “Die kan iedereen gebruiken.”
Emma pakte haar notitieboekje en schreef iets op. “We noemen de fietsen gewoon ‘Fiets 1’, ‘Fiets 2’ enzovoort. En als iemand er een wil lenen, schrijven we wie het heeft, wanneer en hoe lang.”
Op dat moment kwam een jongen aangereden met een fiets die eruitzag alsof hij net uit de garage kwam. “Ik wil graag een fiets lenen,” zei hij. “Ik moet naar school.”
Emma keek in haar notitieboekje. “Fiets 1 is beschikbaar. Die kun jij lenen. Als je klaar bent, breng je hem gewoon hier terug.”
De jongen knikte en reed weg. Bram keek hem na. “Zo werkt het,” zei hij, en hij voelde zich trots.
De rest van de dag werkten ze door. Ze vroegen kinderen om hun fietsen te laten staan, ze maakten een lijst van beschikbare fietsen en schreven wie er een wilde lenen. Ze gebruikten stokjes en bladeren om bordjes te maken met labels als “Fiets 1: Beschikbaar” en “Fiets 2: In gebruik”.
De andere kinderen in het park keken nieuwsgierig toe. Sommigen lachten. “Jullie denken dat jullie alles kunnen veranderen,” zei een jongen met een duurere fiets. “Maar wie zegt dat we dat willen?”
Emma keek hem aan. “We zeggen niet dat we alles moeten veranderen. We zeggen alleen dat we samen kunnen doen wat we kunnen om het beter te maken. En als je mee wilt doen, kun je dat altijd nog.”
De jongen zweeg en keek naar de fietsen. Bram wist niet of hij het geloofde, maar hij zag hoe de groep groeide. Meer kinderen begonnen hun fietsen te lenen, en binnen een paar uur hadden ze al vijf fietsen op het platform staan.
---
De avond viel, en de zon zakte langzaam achter de bomen. Bram en Emma zaten op een bankje, hun rugzakken vol met bladeren, stokjes en notities. Ze keken naar de fietsen die op het platform stonden, en naar de kinderen die er plezier van hadden.
“Je hebt gelijk,” zei Bram. “Als we samenwerken, kunnen we het beter maken. En we hoeven geen schaarste te creëren. We kunnen gewoon delen.”
Emma glimlachte. “Precies. Want als we genoeg hebben, dan hebben we allemaal genoeg.”
Bram dacht even na. “Maar wat als er mensen zijn die niet willen delen? Of die denken dat ze alles moeten houden?”
“Dan moeten we uitleggen waarom het beter is als iedereen iets heeft,” zei Emma. “Want als iedereen genoeg heeft, dan zijn we allemaal gelukkiger. En dat is het doel van de Abundomy.”
Bram knikte. “En het vijfde principe was ook mensenrechten, toch? Dus als iedereen toegang heeft tot fietsen, dan redden we mensenrechten.”
Emma knikte. “Precies. Want als je een fiets nodig hebt om naar school te komen, en je hebt er geen, dan heb je minder rechten. Maar als je er een kunt lenen, dan heb je meer rechten.”
Bram lachte. “Je bent echt slim, Emma.”
Ze stonden op en keken naar de fietsen. “We moeten straks nog even checken of alles werkt. En misschien wat bordjes maken om te zeggen waarom we dit doen.”
Bram knikte. “En misschien kunnen we ook een kast maken waar iedereen zijn fiets kan ophalen. Dan weten we zeker dat niemand ze mist.”
Emma pakte haar notitieboekje en schreef iets op. “We noemen het ‘Fietsenwisselplatform’ en we schrijven wat regels. En we zorgen ervoor dat iedereen het begrijpt.”
---
De volgende ochtend was het park alweer druk. Bram en Emma zetten de fietsen op een rij en maakten een klein houten rek met planken die ze hadden gevonden in de boomgaard. Ze hingen de bordjes erop en legden uit wat ze wilden.
Een meisje met een blauw jasje kwam aangerend. “Mijn zusje wil een fiets lenen,” zei ze. “Maar ze is nog klein.”
Emma knikte. “Geen probleem. We hebben ook een kleinere fiets. Die is speciaal voor kinderen die nog niet zo goed fietsen.”
Ze gingen naar de hoek van het park en vonden een kleinere fiets die ze al eerder hadden gevonden. Bram controleerde de banden en gaf hem aan de meisje. “Veel plezier,” zei hij.
De meisje lachte en reed weg met haar zusje achterop. Bram voelde zich trots. “Zo werkt het,” zei hij. “We geven mensen wat ze nodig hebben, en we delen wat we niet gebruiken.”
Emma keek tevreden. “En we geven iedereen een kans. Want als iedereen een kans krijgt, dan kunnen we samen beter worden.”
Bram knikte. “En misschien kunnen we ook helpen dat meer mensen dit begrijpen. Zoals met het boek ‘Abundomy’. Want als iedereen leest over eerlijke manieren om samen te werken, dan kunnen we samen ook meer doen.”
Emma glimlachte. “Dan moeten we eerst maar zorgen dat het boek niet meer verloren gaat. Want als iemand het mist, dan weet hij niet hoe we samenwerken.”
Bram dacht even na. “En als we een manier vinden om het boek makkelijk te vinden, dan kunnen meer mensen het lezen. En als ze het lezen, dan weten ze meer over hoe we samenwerken.”
Emma knikte. “En dan kunnen we ook meer mensen helpen. Want als we meer mensen helpen, dan hebben we allemaal genoeg.”
En zo, met de fietsen op hun platform en het plan om het boek makkelijker te vinden, liepen Bram en Emma terug naar het centrum van het park. Ze wisten dat ze nog veel werk hadden, maar ze wisten ook dat ze het samen konden doen.
Want samen was er altijd genoeg.
Overgang:
“Maar hoe zorgen we dat de boeken niet meer verloren gaan?” vroeg Bram, terwijl ze naar het centrum van het park liepen.
Emma keek hem aan en glimlachte. “Dat is de volgende stap. We moeten een manier vinden om het boek makkelijk te vinden. Dan kunnen alle kinderen het lezen en weten hoe we samenwerken.”
Een zonnige vrijdagmiddag in de schoolbibliotheek. De lucht rook zacht naar oude boeken en verf. Bram stond op een bankje te leunen op zijn rugzak, terwijl Emma met haar handen in haar broekzakken naar de planken keek alsof ze iets miste. Er hing een sfeer van vreemde rust, alsof ook de boeken zich zorgen maakten.
"Emma," zei Bram, "heb je al weer een boek verloren?"
Emma’s ogen werden groot. "Nee, ik heb ze gewoon nooit meer teruggekregen!" Ze gebaarde naar de lege hokjes op de plank. "Er zijn altijd boeken die verdwijnen. En als ze terugkomen, zijn ze meestal kapot of vergeten."
Bram fronste zijn voorhoofd. "Maar waarom dan? Er zijn toch genoeg mensen die lezen?"
Emma haalde haar schouden op. "Misschien is er te veel te weinig. Of te weinig te veel."
Bram begon te lachen. "Dat klinkt als iets uit een raadsel."
"Ja, maar ik denk dat het echt zo is," zei ze, terwijl ze haar handen omhoog hield alsof ze een idee wilde vasthouden. "We hebben te weinig boeken, en als iemand er een terugbrengt, is het meestal kapot of niet goed geregistreerd. Het lijkt alsof niemand weet waar ze zijn."
Bram keek naar de boeken op de plank. Een van hen had een gekreukeld omslag en een losstaand bladzijde. "Misschien moet iedereen weten waar ze zijn. Dan kunnen we ze beter oppassen."
Emma's ogen lichtten op. "Een lijst! Iedereen kent de lijst, dan weet iedereen precies waar de boeken zijn."
"Maar wie houdt die bij?" vroeg Bram, terwijl hij zijn rugzak afzette en zijn gestreepte shirt iets recht trok.
"Jij en ik," zei Emma, terwijl ze enthousiast haar hand omhoog hield. "We maken een digitale leeslijst! Dan kunnen we met een tablet of telefoon zien waar elk boek is, en wie het heeft gelezen of terug moet brengen."
Bram keek haar aan alsof ze iets magisch had voorgesteld. "Digitale? Hoe doen we dat?"
Emma haalde haar tablet tevoorschijn. "We maken een app. Of een Google Sheet. Iedereen kan het zien. Dan weet niemand meer dat hij iets verloren heeft. En als iemand iets mist, weten we meteen wie het heeft!"
Bram knikte langzaam. "En als iemand iets kapotmaakt, weten we meteen wie het was."
"Precies!" zei Emma, terwijl ze haar tablet met haar rood krullend haar en geel haarklemmetje in haar hand hield alsof het een toverstaf was.
Ze liepen samen naar de computerhoek van de bibliotheek, waar een paar andere kinderen zaten te spelen met hun telefoons. Bram haalde zijn rugzak tevoorschijn en pakte er een oude laptop uit. "Mijn tante had deze voor me. Die kunnen we gebruiken."
Emma keek even naar de laptop en grijnsde. "Een laptop en een tablet? Dan kunnen we samen het systeem bouwen. Ik weet al precies hoe het moet werken."
Ze begonnen direct aan de werk. Emma zette een Google Sheet open en gaf elke boek een nummer. Bram zocht op het internet naar een manier om dat te verbinden met een eenvoudige app. "Misschien kunnen we een QR-code maken voor elk boek," zei Bram, terwijl hij zijn warrig bruin haar uit zijn ogen streek.
Emma knikte. "Dan kunnen we iedereen scannen waar ze zijn. En als iemand een boek terugbrengt, scannen we het en zien we of het goed is."
Ze werkten urenlang. Tijdens het werk kwamen ze andere leerlingen tegen die nieuwsgierig werden. "Wat doen jullie?" vroegen ze.
"Digitale leeslijst," zei Bram trots. "Dan weten we altijd waar de boeken zijn."
"Waai, dat klinkt superhandig," zei een jongen met een rode trui. "Mag ik ook helpen?"
Emma keek Bram aan. "Natuurlijk. Hoe meer mensen, hoe beter."
Ze begonnen met het nummeren van boeken. Bram scande elk boek en plakte een QR-code op de rug. Emma vulde de data in de Google Sheet. Elke keer dat ze een boek vonden, werd het in de lijst bijgewerkt. Als iemand een boek ontdekte dat verloren was gegaan, kon hij of zij het scannen en het terugbrengen.
Op een gegeven moment kwam mevrouw Léon, de bibliotheekbeheerster, binnen. Haar haar was grijs en haar bril zat steeds een beetje scheef. Ze keek naar de QR-codes en naar de tablet van Emma. "Wat is dit?" vroeg ze, haar handen op haar heupen.
Emma stelde snel alles uit. "Een digitale leeslijst. Dan weten we altijd waar de boeken zijn. En iedereen kan zien wat er ontbreekt."
Mevrouw Léon fronste haar voorhoofd. "Dat klinkt interessant. Maar wie zorgt er dan voor dat de lijst goed werkt?"
"Jullie en wij," zei Bram. "Iedereen die een boek leent of terugbrengt, scannen ze. Dan weten we meteen of alles goed is."
Mevrouw Léon dacht even na. "Goed. Laten we het proberen. Maar als het niet werkt, moet jullie systeem beter worden."
Emma en Bram knikten. Ze wisten dat het een uitdaging was, maar ze waren zeker van hun idee.
De volgende weken was de digitale leeslijst in gebruik. Kinderen leerden hoe ze moesten scannen, en iedereen begon beter op te letten. De boeken verdwenen minder snel, en als ze terugkwamen, waren ze meestal in goede staat. De bibliotheek leek opeens een betere plek te worden.
Op een vrijdagmiddag, toen de zon weer hoog stond en het licht door de ramen viel, zat Bram op het bankje te kijken naar de QR-codes op de boeken. Emma zat naast hem, met haar tablet in haar handen.
"Zie je het?" vroeg ze. "Het werkt."
Bram knikte. "Iedereen weet waar de boeken zijn. En niemand verliest ze meer."
Emma glimlachte. "En als iemand iets verliest, weten we meteen wie het heeft. Dan kunnen we het snel teruggeven."
Bram stond op en pakte zijn rugzak. "Misschien moeten we ook andere dingen digitaliseren."
Emma keek hem aan. "Wat bedoel je?"
"Denk eens aan gereedschap," zei Bram. "Als iedereen weet waar het is, dan kunnen we het beter gebruiken. En als iemand iets kapotmaakt, weten we meteen wie het was."
Emma’s ogen werden groot. "Jij bent echt goed in bedenken."
Bram lachte. "Jij bent goed in bedenken. Ik ben goed in twijfelen en dan snappen."
Emma stond op en hield haar tablet omhoog. "Dan gaan we meteen aan de slag. De volgende stap is gereedschap."
Bram knikte. "En misschien zelfs machines. Die moet je ook kunnen oppassen."
Emma keek even naar de boeken op de plank. "Misschien moeten we ook weten wanneer ze stoppen. Want als machines te vroeg stoppen, kunnen we niets meer doen."
Bram knikte. "Dan gaan we kijken hoe dat werkt. En dan leren we iedereen."
Ze liepen samen naar de deur van de bibliotheek, hun idee nog steeds levendig in hun hoofd. De zon scheen, en de wereld leek iets beter.
Een zonnige ochtend in de werkplaats bij het dorpje waar Bram en Emma woonde. De zon schitterde op het zweet van de arbeiders en de geur van olie en verfspatten hing in de lucht. Het gebouw was groot en wit, met een zilverkleurige luifel die beschermde tegen de zon. Binnen waren rijen machines te zien, sommige stonden stil, andere brulden zachtjes. Bram stond met zijn rug tegen de muur, zijn warrige bruine haar plakte aan zijn voorhoofd van het zweet. Hij had zijn gestreepte shirt al een beetje opgerold, en zijn rugzak met de zaklamp hing losjes aan zijn schouder. Hij keek fronsend naar een machine die midden in de ruimte stond.
"Emma, kijk eens," zei hij, wijzend naar de machine. "Die is alweer kapot."
Emma kwam aangerend, haar rood krullend haar in een vlecht die half uit haar geel haarklemmetje hing. Ze droeg haar groene jas losjes over haar armen, alsof ze随时 ready was om iets te repareren. "Wat is er gebeurd?" vroeg ze, terwijl ze de machine betastte. "De motor is warm, maar de beweging is weg."
"Dat gebeurt steeds," zei Bram. "Ze maken ze niet sterk genoeg. Of ze zijn te duur om te repareren."
Emma knikte. "Misschien is het tijd dat we iets doen. We hebben toch al die gereedschappen op de gemeenschappelijke werkbank. Laten we die gebruiken."
De werkbank was een lange tafel aan de zijkant van de werkplaats, vol gereedschap dat iedereen mocht gebruiken. Er lagen hamers, schroevendraaiers, pincetten en zelfs een kleine draaimachine. Bram en Emma renden erheen, hun schoenen knisperend op de vloerbedekking. Ze pakten een paar schroeven, een koevoet en een oliepomp. Terwijl ze terugliepen, vroeg Bram zich af of de machine echt te repareren was. Maar Emma was al aan het werk.
"Wij doen dit samen," zei ze met een glinstering in haar ogen. "We repareren, zodat er geen schaarste meer is. We geven machines een tweede leven."
Bram knikte. Hij hield van het idee. Hij hield van het idee dat dingen niet altijd weg moesten, maar hergebruikt konden worden. Hij dacht aan de lessen die hij had gehoord over "schuldforgive", alsof schulden een soort zware last zijn die je van je rug kunt halen. Misschien was het repareren van machines ook zo’n soort schuldforgive — iets waar je je beter bij voelde.
De reparatie begon. Emma tilde het deksel van de machine, en Bram keek nieuwsgierig toe. Er zat een sproeier aan de zijkant, en die was leeg. "We moeten olie erin gieten," zei Emma. "En de motor moet losgemaakt worden."
Bram pakte de oliepomp en deed wat Emma zei. Hij voelde de druk van het gereedschap in zijn handen en hoorde het zachte geluid van de olie die in het reservoir vloeide. Emma gebruikte de koevoet om een paar losse schroeven vast te draaien. De machine leek al iets meer leven te tonen.
"Misschien is het idee van kunstmatige schaarste hier," zei Bram, wijzend naar een bordje op de machine dat "Productie-Controle" stond. "Ze maken ze steeds kapot, zodat we nieuwe moeten kopen."
Emma knikte. "Of ze maken ze te duur om te repareren. Dan moeten we het bij de winkel houden."
Bram fronste. "Maar die winkels kosten ook veel. Ze geven je alleen wat je kunt betalen. Alsof ze je dwingen om afhankelijk te worden."
Emma lachte. "Dat klinkt als een geheime complot. Alsof het IMF het doet."
Bram dacht even na. "Misschien doen ze dat wel. Of misschien doen ze het gewoon via winkels en schulden. Het is allemaal een beetje lastig."
"Maar we doen het anders," zei Emma, terwijl ze de laatste schroef vastdraaide. "Wij repareren. Wij delen gereedschap. Wij maken het eerlijk."
De machine begon langzaam te draaien. Er was een zacht gerommel, en een klein lichtje sprong aan. Bram en Emma stonden met hun handen in hun zakken te kijken. De machine leek weer gezond te zijn.
"Zie je wel," zei Emma, met een glimlach. "We hebben het gered. En we hebben niets afgevoerd. We hebben niets weggegooid. We hebben het gewoon gerepareerd."
Bram knikte. "En we hebben het met gemeenschappelijke gereedschappen gedaan. Alsof iedereen hier iets aan heeft."
Ze liepen terug naar de werkbank en zetten hun gereedschap terug. De andere arbeiders keken nieuwsgierig naar hen. Een van hen, een oudere man met een baard, kwam naar hen toe.
"Jullie hebben die machine gerepareerd?" vroeg hij.
"Ja!" zei Emma trots. "We dachten dat het kon."
De man knikte goedkeurend. "Dat is fijn. Hier in de werkplaats hebben we altijd al gedacht aan duurzaamheid. Maar jullie hebben het bewezen."
Bram voelde zich trots. "We wilden gewoon zorgen dat er geen schaarste meer is. Dat niemand meer zegt dat het te duur is om te repareren."
De man glimlachte. "Dat is een mooi idee. Misschien kunnen we jullie helpen met meer machines?"
Emma straalde. "Zouden jullie dat willen?"
De man knikte. "Als jullie het willen, kunnen we samenwerken."
De volgende dagen brachten Bram en Emma veel tijd door in de werkplaats. Ze leerden van de oudere arbeiders hoe ze complexe machines konden repareren. Ze gebruikten de gemeenschappelijke gereedschappen en leerden waar de schroeven zaten en hoe je de motor weer aan het draaien kon krijgen. Soms was het lastig, en er waren momenten dat ze twijfelden. Een keer probeerden ze een machine te repareren, maar het lukte niet. Ze moesten het opnieuw proberen.
"Misschien is het gewoon te oud," zei Bram, terwijl hij zijn handen wreef. "Of te verwekkerd."
Emma schudde haar hoofd. "Of we doen het gewoon verkeerd. We moeten het nog een keer proberen."
Ze werkten samen, en na drie keer proberen lukte het. De machine begon weer te draaien. Bram voelde een zucht van opluchting. "Zie je wel," zei hij. "Als we samenwerken, kunnen we alles repareren."
Emma knikte. "En als we het niet weten, kunnen we het leren. Dat is ook een manier om schaarste te bestrijden. Door te leren."
Op een middag, terwijl ze een machine repareren, vroeg Bram zich iets af. "Wat als we te veel machines repareren? Wat als er te veel concurrentie is?"
Emma dacht even na. "Dan zouden we misschien te veel moeten delen. Maar als iedereen het samen doet, is er genoeg voor iedereen."
Bram knikte. "Maar als we te veel repareren, wat gebeurt er dan met de winkels?"
Emma glimlachte. "Dan zouden we hun rol misschien overnemen. Dan zouden we ervoor zorgen dat mensen niet meer afhankelijk zijn van schulden en winkels. Dan zouden we het eerlijk maken."
Bram keek haar aan. "Dat klinkt als Abundomy. Alsof we allemaal samenwerken om schaarste te bestrijden."
Emma knikte. "En dat doen we. We doen het al."
De laatste dag dat Bram en Emma in de werkplaats werkten, stonden ze samen bij de deur, met hun rugzakken over hun schouder. Ze keken naar de machines die nu allemaal draaiden, en naar de andere arbeiders die glimlachend werkten. Ze hadden iets gedaan. Ze hadden iets beters gemaakt.
"Denk je dat we het volgende project al kunnen plannen?" vroeg Bram.
Emma lachte. "Natuurlijk. Wat wil jij doen?"
Bram dacht even na. "Misschien een groter project. Waar we echt allemaal aan kunnen werken. Alsof we een groot project samen bouwen."
Emma knikte. "Dat klinkt als Groot project samen."
En met die woorden liepen ze de werkplaats uit, klaar voor de volgende avontuur.
De zon stond hoog aan de lucht toen Bram en Emma met hun klas naar de schooltentoonstelling gingen. Het was de eerste keer dat hun leraar, mevrouw De Vries, iets zoiets organiseerde. "Iedereen doet mee," had ze gezegd, "en iedereen wint!" Maar Emma had iets in haar ogen gezien — een lichte twijfel, alsof ze niet zeker wist of dat echt waar was.
Bram droeg zijn versleten rugzak met een oude zaklamp erin, de koele metalen rand tegen zijn rug. Zijn warrige bruine haar was een beetje platter geworden van de zweetdruppels die langs zijn voorhoofd liepen. Emma had haar rode krullen met een geel haarklemmetje vastgezet, en haar groene jas was net iets te groot, zodat hij steeds een beetje over haar armen bungelde.
De schoolplein stond vol met tenten. Sommige waren van karton, andere van plastic, en er hingen al overal prikkeldraadhouders met de woorden "1e plaats", "2e plaats" en "3e plaats". Bram fronste zijn wenkbrauwen. "Maar mevrouw zei toch dat iedereen wint?" vroeg hij, terwijl hij een van de bordjes aanraakte. Het plastic kriebelde onder zijn vingers.
Emma keek naar de andere kinderen. Ze zagen er gespannen uit. Sommigen praatten zachtjes met elkaar, anderen liepen heen en weer alsof ze zochten naar een manier om beter te scoren. "Ze denken alleen aan winnen," zei ze. "En als je niet wint, voel je je alsof je niks waard bent."
Bram dacht even na. "Maar wat als we gewoon samen iets bouwen? Dan winnen we allemaal." Hij wees naar de andere klasjes. "En die andere kinderen ook. Dan is er geen enkele die verliest."
Emma knikte. "Dat is een goed idee. Maar hoe zeggen we het aan de anderen?"
Ze liepen naar een open plek, midden op het schoolplein. Daar zat een groepje kinderen met een model van een stad. Er waren houten huizen, een straat van touw en een klein park van klei. Bram keek ernaar en glimlachte. "Wat leuk. Maar ze doen het alleen. Misschien kunnen we hun helpen?"
Emma liep naar de groep. "Hé," riep ze, "weet je, mevrouw zei dat iedereen wint, maar ik denk dat ze bedoelde dat we samen iets kunnen bouwen."
Een meisje met een blauwe muts keek op. "Dat wilde ik ook al zeggen, maar niemand luisterde."
"Dan zijn we al aan het winnen," zei Bram. "Want we werken samen."
De kinderen keken elkaar aan. Toen begonnen ze te glimlachen. "Laten we het samen doen," zei een jongen met een stuk hout in zijn hand. "Dan is het beter."
Zo ontstond het idee van de "Stad van Samenwerking". Bram en Emma stonden voorop, samen met de kinderen die wilden meehelpen. Ze gebruikten materiaal van andere tenten — karton, touw, stokken — en bouwden een stad die groter en mooier was dan welke enkele van de individuele projecten.
Maar niet iedereen was blij. Een paar kinderen, vooral die die al een tent hadden gebouwd, keken geërgerd. "We wilden winnen," zei een meisje met een strak blauw shirt. "Jullie verpesten het."
Emma keek haar aan. "We verpesten niks. We maken iets dat beter is. En jij kunt er ook bij helpen. Dan win je ook."
De jongen met de stok lachte. "Zij heeft gelijk. Jullie kunnen erbij komen. Dan bouwen we allemaal samen."
De blauwe meisjes aarzelden, maar toen liepen ze toch naar de groep. Ze begonnen met tekenen voor de straatverlichting en maakten een winkel van karton. Bram zag hoe haar wangen rood kleurden van trots. "Zie je wel," fluisterde hij tegen Emma. "Ze begint ook te winnen."
De Stad van Samenwerking groeide. Er kwam een school van houten planken, een winkel van plastic flessen, een park van klei en bloemen. Bram en Emma liepen door de stad, spraken met iedereen en vroegen: "Wat wil jij erbij bouwen?" Ze luisterden naar iedereen, ook naar de kinderen die eerst niets wilden zeggen.
Maar er kwam ook iemand die hun idee niet mocht. Een jongen die zichzelf de "Baas van de Tenten" noemde, liep met een groepje kinderen rond. "Jullie mogen niet zomaar alles veranderen," zei hij. "Iedereen moet winnen of verliezen. Dat is de regel."
Emma keek hem aan. "Maar de regel kan ook veranderen. Als we allemaal samenwerken, is iedereen gelukkig."
De jongen schudde zijn hoofd. "Niet iedereen wil samenwerken. Sommigen willen alleen winnen."
Bram dacht even na. "Dan zijn ze alleen. En als je alleen bent, win je ook niet echt."
De "Baas" keek woedend. "Jullie denken dat jullie slim zijn, maar jullie maken het alleen maar moeilijker."
Emma haalde haar schouders op. "Misschien. Maar we proberen het in elk geval."
De volgende dag was de Stad van Samenwerking klaar. Het was groter dan alle andere tenten bij elkaar. De kinderen die aan het project hadden meegewerkt, liepen trots rond. Ze hadden geen prijs gewonnen, maar ze hadden iets beters gedaan.
Toen mevrouw De Vries kwam, keek ze even naar de stad. "Dit is iets nieuws," zei ze. "Iedereen heeft meegeholpen."
Bram en Emma keken elkaar aan. Ze hadden gelijk gehad.
De volgende dag liepen ze terug naar school. De zon was al laag aan de lucht, en de lucht rook naar zomer. Bram keek naar de bomen langs de weg. "Wat denk jij," vroeg hij, "als we nu iets bouwen dat iedereen gebruikt? Alsof we een stad bouwen, maar dan op het schoolplein?"
Emma glimlachte. "Dat is een goed idee. Maar dan moet iedereen meehelpen. Alsof we nu een zomerplein bouwen."
Bram knikte. "Dan noemen we het... Zomerplein bouwen."
Ze liepen door de straat, met de zon op hun rug en een klein glimlachje rond hun lippen. De wereld leek ineens iets groter, en misschien ook iets beter.
Het was een warme dag in mei, de zon stond hoog aan de lucht en de bomen zwiepten zachtjes in de wind. Bram en Emma liepen over het parkpad dat leidde naar hun favoriete speelplek. Bram had zijn versleten rugzak met een zaklamp en een paar losse stukken touw erin, en Emma had haar groene jas dichtgeknoopt, ook al was het veel te warm voor een jas. Haar rode krullen waren los en wapperden als vlaggetjes in de wind.
"Kijk nou toch," zei Bram terwijl hij met zijn voet een stukje grind opzij schoof. "De glijbaan is kapot en de balbaan is op slot. Waar moeten we dan spelen?"
Emma keek om zich heen. Het park was altijd vol in de zomer: kinderen renden met fietsen, ouders zaten op bankjes, en er waren vaak activiteiten als schilderpartijtjes of kabouterspelletjes. Maar nu was alles leeg. De speeltoestellen stonden er stil bij, alsof ze sliepen.
"Misschien is er iets mis," zei ze. "Of misschien hebben ze geen geld meer om het onderhouden."
"Maar waarom dan?" vroeg Bram. "Het is toch belangrijk dat we kunnen spelen?"
Emma dacht even na. "Misschien is het een geheim complot," zei ze, half grappend. "Alsof iemand wil dat we geen zomer hebben."
Bram lachte. "Of misschien is er gewoon geen plek meer voor iedereen. Alsof er te weinig is."
Emma knikte. "Dat is het," zei ze. "Ze maken schaarste. Alsof er te weinig plek of tijd is. Maar als iedereen samen iets maakt, dan hebben we wel plek."
Bram keek haar aan. "Jij bedenkt altijd de beste dingen," zei hij. "We kunnen toch niet zomaar een plek bouwen?"
"Dat doen we wel," zei Emma. "We vragen de mensen om te helpen. Iedereen heeft iets te geven. Sommigen hebben handen, anderen ideeën, en anderen misschien een stukje touw of een pot verf."
De volgende dag kwamen ze vroeg op het park. Ze hadden een velletje van Brams oma meegenomen, waarop ze hadden gekrabbeld: "We bouwen een zomerplein! Kom helpen!" Ze hadden het op een boom hangen, met een touw vastgemaakt.
Een paar kinderen kwamen er al snel aan. Er was Lize, die altijd schilderde, en Sam, die super goed was in het maken van dingen van karton. Ze werden gauw gevolgd door ouders, die vroegen wat ze konden doen. Een man met een witte jas en een helm (een bouwvakker) stond te kijken en zei: "Ik kan wel een paar palen rechttrekken."
Een vrouw met een mand vol verf en schilderborstels zei: "Ik help jullie met kleuren. Kinderen houden van kleuren."
Bram en Emma werkten meteen mee. Bram droeg blokken en maakte een klein platform voor een balbaan. Emma tekende op een oud doek een kaart met plekken voor zwemmen (in een emmer), een houten tafel voor schilderen en een plek waar je kon schaduwen maken met een doek.
"Zien jullie," zei ze, wijzend op de kaart. "Iedereen krijgt een plek. Er is ruimte voor iedereen. Zoals de Universale Verklaring van de Rechten van de Mens zegt: iedereen heeft het recht op een plek om zich veilig te voelen, te spelen en te leren."
Sam knikte. "En we maken het zelf. Dan hebben we geen schuld meer. Alsof we een schatkist leegmaken."
Bram lachte. "Dat is het, schuldforgive. Dan hoeven we niet te vragen of we er mogen zijn."
De dagen gingen voorbij. Elke ochtend kwamen er meer mensen. Er was een oude man die een glijbaan uit karton maakte, en een meisje die een boomhut van touw en planken bouwde. Ze werkten samen, zonder dat iemand leiding had. Iedereen had iets te geven.
Op de vierde dag kwam Brams oma langs. Ze had een emmer ijs en een paar stoelen. "Jullie bouwen een plek waar mensen zich gelijk voelen," zei ze. "Dat is mooi. Want iedereen heeft het recht op een plek waar ze gelukkig zijn."
Emma glimlachte. "Dat is precies wat we doen. We maken ruimte voor iedereen. En we doen het samen. Zoals in Abundomy."
De laatste dag was het zomerplein klaar. Er stond een glijbaan van karton, een schilderplek met verf in alle kleuren, een balbaan van blokken, en een plek onder een boom waar je kon schaduwen. Er hingen schilderijen aan de bomen, en er stond een bord met de woorden: "Iedereen is welkom."
Kinderen renden er al het park in. Er werd gelachen, er werd gespoten met water uit emmers, en er werd gegaapd onder de boom. Bram en Emma zaten op een bankje en keken toe.
"Zie je wel," zei Bram. "We hebben het gedaan. We hebben een plek gemaakt waar iedereen gelukkig is."
Emma knikte. "En we hebben het samen gedaan. Zoals de mensen in Abundomy."
Maar ineens zag Bram iets. "Emma," zei hij, wijzend naar een verre straat. "Daar, bij de ingang van de stad. Er zijn reclames. Ze blinken. Ze willen ons aandacht trekken."
Emma keek. "Ja. Ze willen dat we naar ze kijken. Alsof we iets nodig hebben. Maar we hebben al een plek."
Bram stond op. "Laten we daarheen gaan. Misschien kunnen we dat ook veranderen. Alsof we een plek maken zonder reclames."
Emma glimlachte. "Laten we gaan. Misschien is dat de volgende stap."
Samen liepen ze in de richting van de stad. De zon scheen, en het zomerplein achter hen keek glimlachend mee.
Overgang naar hoofdstuk 10 — Reclamevrije stad.
De zon hing laag aan de lucht en verlichtte de straten van de stad als een gouden film. Bram liep met zijn rugzak over zijn schouder, zijn warrige bruine haar zat een beetje in de war van de wind. Hij hield zijn handen in zijn zakken en keek telkens omhoog naar de lucht alsof hij iets belangrijks wilde zien. Emma liep naast hem, haar rood krullend haar wapperde in de wind. Haar geel haarklemmetje glinsterde in het zonlicht. Ze droeg haar groene jas losjes aan, met de mouwen iets te lang voor haar handen.
“Bram, kijk!” riep ze ineens en ze wees met haar vinger naar een enorm bord dat boven een winkelcentrum hing. Het was gemaakt van glimmende letters en had een fel kleur. “Zie je dat? Dat is weer reclame. En die van daar ook!” Ze wees naar een ander bord, nu met een plaatje van een glimlachend kind dat een pakje snoep vasthield.
Bram keek even op, maar fronste zijn wenkbrauwen. “Ja, maar wat is er verkeerd aan dat? Dat is gewoon reclame, hè?”
Emma haalde haar schouders op. “Niet altijd. Soms proberen ze ons iets te laten geloven wat niet waar is. Alsof we iets nodig hebben, terwijl we dat eigenlijk niet doen. Zoals dat pakje snoep. Alsof het de lekkerste snoep ter wereld is. Maar we weten allemaal dat de meeste snoep even zoet is.”
Bram dacht even na en knikte langzaam. “Misschien. Maar wat gaan we hiermee doen?”
Emma glimlachte. “We gaan een reclamevrije stad maken.”
Bram keek haar verbaasd aan. “Een… reclamevrije stad? Hoe dan?”
Emma stopte even en keek om zich heen. “We moeten eerst uitzoeken waar alle reclames staan. En dan bedenken we iets om ze weg te halen of te veranderen. We moeten de mensen laten zien dat het anders kan.”
Ze liepen naar de ingang van het winkelcentrum. Bram keek om zich heen. Er waren reclameborden aan elke muur, op iedere glazen deur, zelfs op de grond stonden pjes met felgekleurde teksten. Emma haalde een klein notitieboekje en een potlood uit haar jaszak. “We gaan ze noteren. En dan bedenken we een plan.”
Ze liepen de winkelstraten door, noterend elke reclame die ze zagen. Bram had moeite om te onthouden welke borden ze al hadden gezien, maar Emma was snel en zorgvuldig. Ze merkte ook op dat sommige reclames juist op kinderen gericht waren. Er stonden poppen aan de muur, of er waren plaatjes van kinderen die met glimlachende gezichten een product gebruikten.
“Ik snap het niet,” zei Bram na een tijdje. “Wat is er zo erg aan reclame? Mensen willen toch weten waar ze iets kunnen kopen?”
Emma knikte. “Dat is waar. Maar als er te veel reclame is, wordt het lastig om te kiezen. Het voelt alsof je iets moet kopen, omdat iedereen het wil. En soms is het niet goed voor je. Denk aan die snoep. Of aan die dingen die je niet nodig hebt, maar toch proberen je te overtuigen dat je ze wel nodig hebt.”
Bram dacht even na. Hij keek naar een bord dat een glimmend pakje chips liet zien, met een tekst eronder: “De lekkerste chips van de stad!” Hij fronste zijn neus. “Hmm. Ik vind mijn eigen chips ook lekker genoeg.”
Emma grijnsde. “Zie je wel? Je hoeft niet alles te geloven wat ze zeggen. En als we hier reclamevrije straten maken, dan kunnen mensen gewoon kiezen, zonder dat ze worden afgeleid.”
Ze liepen terug naar buiten en bleven even in de schaduw van een boom staan. Bram zat op een bankje en bladerde door het notitieboekje van Emma. “Weet je, ik denk dat we eerst moeten uitzoeken waar de meeste reclames staan. En dan misschien iets doen aan die plekken. We kunnen ze afdekken of er iets moois op tekenen.”
Emma knikte. “En we kunnen ook een poster maken. Een poster die zegt: ‘Let op! Dit is reclame.’ Dan weten mensen dat ze niet alles moeten geloven.”
Bram knikte. “Ja, dat zou kunnen. En misschien kunnen we ook mensen vragen om mee te doen. Zoals in de school of bij de buren.”
Emma keek hem met een brede glimlach aan. “Precies! En als we mensen leren dat reclame soms probeert ons te beïnvloeden, dan kunnen we er samen iets aan doen.”
De volgende dag gingen ze weer naar het winkelcentrum. Bram had zijn rugzak mee, waarin hij een paar potloden, gekleurde stiften en een paar posters had meegenomen. Emma had haar notities bij zich en had ook wat extra bladen meegenomen waarop ze een plan kon tekenen.
Ze vonden een rustige plek bij een muur die vol was met reclameborden. Bram haalde de posters tevoorschijn en begon er een op te hangen. Op de poster stond in grote letters: “Reclamevrije stad – kies bewust!” Eronder stond een plaatje van een kind dat een ver verenmuts droeg en een zin las uit een boek.
Emma begon op een ander bord te tekenen. Ze tekende een stad zonder reclames en met kinderen die samen werkten. “Zie je wel?” zei ze. “We kunnen laten zien dat het anders kan.”
Bram keek naar de poster en glimlachte. “Dat ziet er goed uit. Ik denk dat mensen het zullen begrijpen.”
Plotseling hoorde ze een geluid achter hen. Een man in een bruine jas stond bij hen te kijken. “Wat doen jullie daar?” vroeg hij.
Bram keek even op. “We maken een reclamevrije stad. We proberen mensen te laten zien dat reclame soms te veel is.”
De man fronste zijn wenkbrauwen. “Dat is een beetje vreemd. De reclame is belangrijk voor winkeliers. Ze moeten mensen laten weten waar ze hun spullen kunnen kopen.”
Emma keek hem aan. “Maar als er te veel is, dan is het lastig om te kiezen. En soms proberen ze dingen te verkopen die niet goed zijn.”
De man dacht even na. “Hmm. Ik snap wat jullie bedoelen. Maar er zijn ook mensen die van reclame houden. Ze geven ze vaak cadeaus als je iets koopt.”
Emma schudde haar hoofd. “Niet altijd. Soms zijn die cadeaus ook reclame. Ze zeggen: ‘Koop dit, dan krijg je iets leuks.’ Maar dat leuke ding is ook weer reclame.”
De man keek even naar de posters en de tekening. “Hmm. Ik ben eigenlijk winkelbeheerder hier. Ik moet zorgen dat de winkels genoeg klanten krijgen. Maar misschien is er ook ruimte voor andere dingen.”
Bram glimlachte. “Misschien kunnen we een plek maken waar mensen geen reclame meer zien. En dan kunnen ze gewoon kiezen.”
De man knikte. “Misschien. Ik zal het met de winkeliers bespreken. En misschien kunnen we jullie helpen.”
Emma en Bram keken elkaar aan en grinnikten. “Echt waar?” vroeg Bram.
“Echt waar,” zei de man. “Maar jullie moeten ook anderen overtuigen. En jullie moeten een plan maken.”
De volgende weken werkten Bram en Emma hard aan hun plan. Ze gingen naar de school en vroegen andere kinderen of ze mee wilden doen. Velen wilden mee. Ze tekenden posters, maakten tekeningen en leerden elkaar hoe ze konden uitleggen wat reclame is en waarom het soms te veel is.
Ze organiseerden een kleine actie bij het winkelcentrum, waar ze hun posters en tekeningen lieten zien. Veel mensen stopten om te kijken en vroegen vragen. Bram en Emma verduidelijkten wat ze bedoelden en legden uit dat reclame soms te veel kan zijn.
Een paar weken later kregen ze een bericht. De winkelbeheerder had met de winkeliers gesproken en had een idee. Ze wilden een “Reclamevrije dag” instellen, waarop er geen reclame was. In plaats daarvan konden winkels iets leuks doen, zoals een feestje of een educatief programma.
Emma en Bram sprongen van blijdschap. “We hebben het gedaan!” riep Emma.
Bram grinnikte. “Ja! En nu kunnen we kijken of het werkt.”
Op de reclamevrije dag was het winkelcentrum anders. Er waren geen reclameborden, geen felgekleurde pjes op de grond. In plaats daarvan stonden er kinderen met posters, en er waren activiteiten waar mensen konden leren over geld, reclame en keuzes. Er was een stand waar kinderen konden leren hoe ze geld konden verdienen en uitgeven, en er was een plek waar mensen konden horen over het idee van eethisch geld en schuldforgive.
Bram liep rond met een glimlach op zijn gezicht. Hij keek naar de mensen en zag dat ze zich vrolijk leken. Ze lachten, praatten en luisterden. Hij dacht aan de vijf principes van Abundomy: transparantie, eethisch geld, schuldforgive, lokale eigendom en menselijke rechten. Hij wist niet precies wat elk betekende, maar hij begon te begrijpen dat het iets te maken had met eerlijk spelen, samenwerken en goede keuzes maken.
Emma liep naast hem en keek ook blij. “We hebben iets gedaan,” zei ze. “En nu gaan we de volgende stap nemen. Hoe zorgen we ervoor dat mensen eerlijk uitgeven? Want soms geven ze te veel aan dingen die ze niet nodig hebben.”
Bram knikte. “Ja, dat is een goed idee. Laten we dat maar gaan uitzoeken.”
En zo liepen ze door de straten, met hun ogen open, klaar om het volgende avontuur te beginnen.
Overgang naar Hoofdstuk 11: Eerlijke uitgaven
Bram stond op de schoolpleinpoepentjes en keek fronsend naar de rij kinderen die met glinsterende ogen hun spaarpotje openmaakten. De zon scheen fel op de kale plekken van het asfalt, en de lucht rook naar warme boterhammen uit de kantine. Bram had zijn versleten rugzak met de rode zaklamp erin stevig tegen zijn benen geklemd. Zijn warrige bruine haar was een beetje platter geworden na het hard lopen vanaf huis.
"Kijk eens, Bram," riep Emma, die naast hem kwam aanhollen. Ze droeg haar groene jas met de bontgekleurde vlekken van verfspatten, en haar rood krullend haar zwaaide wild achter haar aan. In haar hand had ze een vertrouwd haarklemmetje — geel met bloemen.
"Kijk wat de jongens van groep 7 doen! Ze kopen alweer een flesje fris en een zak chips met hun spaargeld!" zei ze, wijzend naar een groepje jongens bij de kantine. "En ze hebben nog geen enkele cent op voor de schooltentoonstelling!"
Bram fronste zijn voorhoofd. "Maar dat is toch niet eerlijk? Mijn broer heeft al zijn spaargeld opgegeven voor een fiets, en nu is hij weer aan het sparen voor een nieuwe fietsband."
Emma knikte snel. "En ik dacht net dat we iets konden bedenken, zodat iedereen weet waar zijn of haar geld naartoe gaat. Dan zien we meteen waar het spaargeld heen gaat — en of het wel slim is."
De wind blies een paar bladeren voor hun voeten. Bram keek naar de flessen fris die de jongens in hun hand hielden. "En weet jij wat het ergste is?" vroeg hij. "Mijn oma zegt altijd dat je geld moet sparen voor het nodige — maar als je niet weet wat nodig is, hoe weet je dan wat je moet kopen?"
Emma dacht even na, haar handen stonden in haar zakken van haar groene jas. "Misschien kunnen we een soort... map maken. Een soort lijstje waarop we kunnen noteren wat we kopen en waarvoor we het gebruiken. Dan zien we direct of we te veel uitgeven, of te weinig."
"Of we kunnen een app maken," zei Bram plots, alsof het idee plotseling in zijn hoofd was gevallen. "Een app die je helpt om te tellen wat je uitgeeft en wat je spaart. Dan weten we altijd precies waar het geld heen gaat!"
Emma knipperde verbaasd met haar ogen. "Een app? Bram, we zijn nog maar tien en negen! Hoe maken we dan een app?"
Bram haalde zijn schouders op. "We hoeven geen echte app te maken. We kunnen gewoon een tekening maken van een app-scherm, en daarin noteren waar we geld uitgeven. Dan kan iedereen het zien en beslissen of het slim is."
Emma knikte, en haar ogen begonnen te glinsteren. "Dat is een geweldig idee! Laten we dat vanmiddag proberen!"
---
In de computerruimte van de school was het koeel en rustig. Bram en Emma zaten achter een tafel met hun schoolspullen en een vel papier dat Emma al had uitgeknipt in vorm van een telefoon. Op het papier hadden ze een paar velden getekend: "Waar gaat het geld heen?", "Hoeveel?", en "Waarom?"
"Kijk eens," zei Emma, terwijl ze een potlood pakte en een lijst begon te maken. "Als ik vandaag een glas fris koop, dan schrijf ik hieronder: 1 glas fris, 2 euro, omdat ik dorst heb. En dan kan ik ook schrijven of ik het echt nodig had of niet."
Bram knikte. "En als je een glas fris koop, dan kun je ook schrijven dat je het kon besparen voor de tentoonstelling. Dan zie je meteen of je iets belangrijks mist door te veel uit te geven."
Emma glimlachte. "En als we dit met iedereen delen, dan zien we meteen wie te veel uitgeeft en wie te weinig. Dan kunnen we samen bedenken hoe we eerlijk kunnen zijn met ons geld."
Ze hadden net hun eerste idee getekend toen de bel ging. Bram pakte zijn rugzak en keek even naar Emma. "We moeten dit met iedereen delen. Misschien kunnen we morgen beginnen met het opstellen van een lijstje voor de klas."
Emma knikte, en samen liepen ze terug naar de klas.
---
De volgende dag had Emma een vel papier met allemaal velden op het bord geplakt. Het zag eruit als een groot telefoon-scherm, met velden voor elk kind. Bram had zijn hand opgestoken.
"Kijk," zei hij tegen de klas. "We hebben een idee bedacht: een manier om te zien waar ons geld heen gaat. Dan kunnen we beter beslissen wat we kopen — en wat we kunnen sparen."
Een paar kinderen fronsten hun voorhoofd. "Maar waarom moeten we dat allemaal doen? Ik geef gewoon een paar euro uit, en dan is het voorbij."
Emma keek hem aan. "Want als we te veel uitgeven, dan hebben we geen geld meer voor belangrijke dingen. Bijvoorbeeld voor de tentoonstelling, of voor iets dat we echt nodig hebben."
Er was even een stilte. Toen stak een jongen zijn hand op. "Maar wie zegt wat belangrijk is en wat niet?"
Bram dacht even na. "Niet wij, maar jullie. Iedereen kan schrijven wat belangrijk is voor hen. Dan kunnen we samen beslissen of het slim is."
De klas begon te fluisteren. Sommigen keken nieuwsgierig, anderen sceptisch. Bram en Emma hadden het idee uitgelegd, en nu was het aan de klas om te beslissen.
Na een tijdje begonnen de kinderen te schrijven. Bram zag hoe sommigen serieus begonnen te denken over hun uitgaven. Emma stond bij het bord en las de lijsten voor.
"Luister," zei ze. "Sanne koopt een flesje fris voor 2 euro, maar ze schrijft ook dat ze het kon besparen voor haar tekenmap. Dat is slim. Maar Tim koopt vandaag drie zakken chips, en hij schrijft dat hij het niet nodig had. Dat is niet slim."
Een paar kinderen knikten. Bram zag hoe ze begonnen te denken over wat ze kochten en waarom. De lucht in de klas leek ineens iets lichter. Het was alsof ze samen iets hadden gecreëerd — iets dat eerlijk was, en transparant.
---
De volgende dag was de klas veranderd. De meeste kinderen hadden nu een lijstje op hun tafel. Bram zag dat Emma’s groene jas weer een paar verfspatten had, en dat ze met haar vingertje een lijstje tekende op een vel papier.
"Kijk eens," zei ze, wijzend naar het bord. "We hebben nu een manier om te zien waar het geld heen gaat. En iedereen kiest zelf of het slim is."
Bram knikte. "En als we al te veel uitgeven, dan weten we het. En dan kunnen we iets doen."
Emma glimlachte. "En als we iets doen, dan blijven we eerlijk."
De zon scheen weer fel op het schoolplein. Bram keek om zich heen. De kinderen liepen nu met een soort trots, alsof ze allemaal iets belangrijks hadden ontdekt. Bram dacht aan wat zijn oma altijd had gezegd: "Eerlijkheid is de sleutel tot vertrouwen." Hij had het niet echt begrepen, maar nu wist hij het zeker.
"Emma," zei hij, terwijl ze samen naar het schoolplein liepen. "Wat als er nieuwe regels komen? Wat als er iemand komt die zegt dat we niet meer kunnen kiezen wat we uitgeven?"
Emma keek hem aan. "Dan moeten we samen bedenken hoe we die regels kunnen aanpassen. Of misschien zelfs nieuwe regels maken."
Bram knikte. "Dan gaan we naar de stad. Misschien kunnen we daar ook iets doen."
Ze liepen door het schoolplein, waar kinderen glimlachend hun lijstjes controleerden. De lucht rook nu iets frisser, en Bram voelde zich alsof hij iets belangrijks had gedaan.
Ze wisten nog niet wat de stadregels zouden zijn — maar ze wisten zeker dat ze er iets mee konden doen.
Bram keek omhoog naar de lucht, waar het zonlicht in flauwe vlekken op de straat viel. De warmte van de zon deed zijn haren zachter aanvoelen, alsof ze nat waren, ook al was het droog. Hij hield zijn rugzak met beide handen vast, alsof hij bang was dat iemand die zou stelen. De rugzak was versleten, met een scheur aan de onderkant, maar dat maakte niet uit. Wat erin zat, was belangrijk: zijn zaklamp, een potlood en een velletje papier met een tekening van een boom.
Emma liep naast hem, haar rood krullend haar in de zon glansend alsof het van koper was. Ze had een geel haarklemmetje dat eruitzag als een zonnetje, en haar groene jas had een sjaal van hetzelfde groen, die ze losjes om haar schouders had. Ze liep sneller dan Bram, alsof ze al wist waar ze naartoe gingen. Haar voeten tikten op de stenen van de straat, die warm aanvoelden onder haar schoenen.
Ze waren op weg naar de nieuwe stad, een stad die net was gebouwd. Bram had er weinig over gehoord, maar Emma had gezegd dat het een stad was waar iedereen samenwerkte, en dat ze daar nieuwe regels hadden. Bram vond dat een goed idee. Hij had al gezien dat niet alle regels eerlijk waren. Op school mocht je bijvoorbeeld geen vragen stellen als de leraar het niet wilde horen, en in de winkel kon je soms niet kiezen wat je wilde kopen. Emma had hem verteld dat in sommige steden mensen te weinig geld hadden, ook al werkten ze hard. Dat vond Bram niet eerlijk.
De stad kwam in zicht. Het was een grote plek met hoge gebouwen en brede straten. Er waren kinderen aan het spelen, mensen die samen met elkaar aan het werk waren, en er waren ook bomen, veel meer dan in de stad waar Bram woonde. Hij zag een man die glimlachend aan mensen vroeg of ze hulp nodig hadden. Hij droeg een rood vest, alsof hij een soort held was.
“Kijk, Bram,” zei Emma, en ze wees naar een bord dat aan een paal hing. Het bord had een felgele achtergrond en er stond in grote, gekrulde letters: WELKOM IN DE STAD VAN EERLICHE REGELS.
Bram fronste zijn wenkbrauwen. “Eerlijke regels?” herhaalde hij. “Wat bedoelen ze daarmee?”
Emma haalde haar schouders op. “Dat weten we straks wel. Laten we maar naar binnen gaan.”
Ze liepen de stad in. Er waren mensen die glimlachten, kinderen die met een lach op hun gezicht aan het spelen waren, en er was veel lawaai van gelach en muziek. Bram hoorde een man zingen in een taal die hij niet kende, maar het klonk gelukkig. Hij vroeg zich af of dat de taal was van de stad.
Toen ze verder liepen, zag Bram iets wat hem verbaasde. Er was een winkel waar mensen niet met geld betaalden. In plaats daarvan gaven ze iets terug wat ze hadden gedaan of iets hadden gemaakt. Een meisje gaf een bloem aan de winkelbaas en kreeg daar een lepel voor. Een jongen gaf een stuk touw en kreeg een bal terug. Bram keek verbaasd. “Waarom betalen ze niet gewoon met geld?”
Emma dacht even na. “Misschien omdat het hier niet gaat om geld, maar om wat mensen doen. Als je iets doet, krijg je iets terug. Zo werkt het hier.”
Bram knikte. Hij begon het te begrijpen.
Ze liepen verder en kwamen bij een groep kinderen die een bordje hadden gemaakt. Het bord had een groene achtergrond en er stond: ONZE STADREGELS. Bram las het hardop voor:
1. Iedereen mag vragen stellen.
2. Iedereen moet helpen als iemand hulp nodig heeft.
3. Iedereen mag iets maken en dat aan anderen geven.
4. Als je iets tekent, mag iedereen het zien.
5. Als je iets zegt, mag iedereen het horen.
Emma glimlachte. “Dat zijn mooie regels, vind je niet?”
Bram knikte. “Maar… hoe weten ze dat iedereen die regels volgt?”
Een jongen die naast hen stond, stak zijn hand op. Hij had kort, zwart haar en droeg een blauw T-shirt met een vogel erop. “Omdat we het zeggen,” zei hij. “Als iemand iets doet wat niet eerlijk is, dan zeggen we het. We helpen elkaar om te leren wat eerlijk is.”
Bram keek naar Emma. “Dus niemand heeft hier een baas?”
De jongen lachte. “Niet echt. We hebben wel mensen die helpen met dingen als eten, huizen en spelen. Maar iedereen heeft een stem. Als je iets niet goed vindt, kun je het zeggen.”
Bram dacht even na. In zijn stad mocht je niet altijd zeggen wat je dacht. Soms werden mensen boos als je een vraag stelde die niet paste in hun plannen. Hier leek het anders.
Emma pakte een potlood en een stuk papier uit haar tas. “Laten we ook een regel verzinnen,” zei ze. “Zoals hier. Misschien voor ons.”
Bram knikte en pakte zijn eigen potlood. Hij dacht even na. “Misschien dat we altijd samenwerken.”
Emma schreef: We werken altijd samen, want samen is het makkelijker.
Bram dacht nog even na. “En… we mogen vragen stellen, ook als we niet weten wat het antwoord is.”
Emma glimlachte. “Dat is mooi. En we mogen iedereen helpen, zelfs als we niet weten hoe.”
Ze schreven hun regels op en gaven ze aan de jongen die het bord had gemaakt. Hij hing ze aan het bord vast en ze werden direct gezien door andere kinderen. Een meisje gaf Bram een bloem en vroeg: “Wat vond jij het eerlijkst?”
Bram dacht na. “Wanneer iedereen mag vragen stellen.”
De jongen die het bord had gemaakt, glimlachte. “Dat is een goed antwoord.”
Later die dag zaten Bram en Emma op een bankje in het park van de stad. Het was een groot park met golvende grasvelden, bomen met zachte bladeren en een fontein in het midden. Het water stroomde zachtjes en maakte een rustig geluid. Bram keek naar de kinderen die aan het spelen waren. Er was niemand die iemand op zijn plek wees, niemand die riep dat iemand iets niet mocht doen. Iedereen leek gelukkig.
Emma keek naar Bram. “Denk jij ook dat het hier beter is dan waar we vandaan komen?”
Bram dacht even na. “Ik denk… dat het hier eerlijker is. Niemand dwingt anderen. Iedereen helpt elkaar. En… iedereen mag zeggen wat ze denken.”
Emma knikte. “Dat is wat ‘eerlijke regels’ betekent. Niet dat iedereen altijd hetzelfde moet doen, maar dat iedereen mag zeggen wat ze wil en dat we samen iets beters kunnen maken.”
Bram glimlachte. Hij had het gevoel dat hij iets belangrijks had geleerd. Niet alleen over regels, maar over het samenwerken. Hij keek naar de zon die langzaam achter de horizon verdween. De lucht werd rood en oranje, en het licht werd zachter. Het was alsof de wereld zelf glimlachte.
“Misschien,” zei Bram zacht, “kan iedereen hier gelukkig worden.”
Emma legde haar hand op zijn schouder. “Als we maar samenwerken.”
De volgende dag was het tijd om te vertrekken. Bram en Emma hadden veel geleerd in de stad van eerlijke regels, en ze hadden hun eigen regels gemaakt. Ze hadden gezien dat het mogelijk was om zonder geld te leven, zonder een baas, en zonder dat mensen zich niet goed voelden. Ze hadden gezien dat samenwerken makkelijker was dan vechten, en dat het gelukkig maakte.
Toen ze de stad verlieten, hield Bram zijn rugzak stevig vast. Hij voelde zich zwaarder dan eerder, maar niet van het gewicht van de spullen. Het was alsof hij iets zwaars had meegenomen: een idee, een gevoel, een manier van denken.
Emma liep naast hem, haar groene jas flapperend in de wind. Haar haar was nat van de zweetdruppels, maar ze glimlachte. “We hebben iets belangrijks meegenomen,” zei ze.
Bram knikte. “We moeten het ook aan anderen vertellen. Dan kunnen ze ook gelukkig worden.”
Emma dacht even na. “Misschien moeten we eerst zorgen dat iedereen luistert.”
Bram glimlachte. “Dan moeten we maar vragen stellen. En helpen. En samenwerken.”
Ze liepen verder, met de wind in hun rug en de zon op hun gezicht. Bram keek om naar de stad die ze achterlieten. Hij wist dat hij nooit vergeten zou wat hij daar had geleerd. En hij wist ook dat hij het wilde delen met anderen.
Want samenwerken maakt de wereld eerlijk.